ECLI:NL:CRVB:2022:891
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig monteur, meldde zich ziek met lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was per 25 juli 2019 en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij het medisch onderzoek en de arbeidskundige beoordeling als zorgvuldig en voldoende gemotiveerd werden beoordeeld.
Appellant bracht in hoger beroep nieuwe medische rapporten in, waaronder van Van der Planken, die meer beperkingen constateerde. De verzekeringsarts bezwaar en beroep weerlegde deze bevindingen overtuigend en wees op het ontbreken van objectieve medische onderbouwing voor extra beperkingen. Ook werd benadrukt dat het UWV-onderzoek dicht op de datum in geding plaatsvond.
De Raad volgde het UWV en de rechtbank in hun oordeel dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend zijn. Het verzoek tot benoeming van een onafhankelijk deskundige werd afgewezen wegens gebrek aan twijfel over de medische beoordeling. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.