Uitspraak
20 4422 WW
17 november 2020, 18/5105 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was administratief medewerkster bij een onderwijsinstelling en is per 1 januari 2017 uit dienst getreden met een ontslagvergoeding. Na afloop van dit dienstverband heeft zij geen WW-uitkering aangevraagd en zich niet als werkzoekende ingeschreven. Van 30 november 2017 tot en met 31 januari 2018 werkte zij bij een uitzendbureau. Op 31 januari 2018 schreef zij zich als werkzoekende in en gaf aan per 1 februari werkloos te zijn geworden.
Haar aanvraag voor een WW-uitkering per 1 februari 2018 werd afgewezen omdat zij niet voldeed aan de wekeneis: in de 36 weken voorafgaand aan haar werkloosheid had zij minder dan 26 weken gewerkt. Ook haar bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde deze afwijzing en stelde dat de vraag naar een Ziektewetuitkering buiten dit geding valt.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat zij ziek uit dienst is gegaan en daarom recht heeft op ziekengeld, en dat zij geen WW-uitkering mocht aanvragen. De Raad volgde de rechtbank en het UWV, oordeelde dat appellante niet voldoet aan de wekeneis en bevestigde de afwijzing van de WW-uitkering. De stukken over haar ziekmeldingen gaven geen aanleiding tot een ander oordeel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WW-uitkering wegens niet voldoen aan de wekeneis.