ECLI:NL:CRVB:2022:906
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering bij 45,61% arbeidsongeschiktheid na bezwaar
Appellant, laatst werkzaam als schoonmaker, viel uit wegens rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde aanvankelijk dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. Na bezwaar werd de Functionele Mogelijkheden-lijst (FML) aangescherpt, waarbij één functie ongeschikt werd verklaard, wat leidde tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45,61%. Het UWV kende daarop een loongerelateerde WGA-uitkering toe.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de medische rapporten van de verzekeringsartsen zorgvuldig en begrijpelijk waren en de beperkingen adequaat waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen groter waren dan erkend, met name voor lang zitten, lopen, staan, traplopen, klimmen en het werken met gevaarlijke machines, maar onderbouwde dit niet met nieuwe medische gegevens.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht alle beschikbare medische informatie heeft meegewogen en dat de beperkingen in de FML passend zijn vastgesteld. De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de functies die ten grondslag liggen aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage medisch geschikt zijn voor appellant. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.