In deze zaak stond de vraag centraal wanneer de redelijke termijn eindigt bij een tegemoetkomend besluit in een hoger beroepsprocedure binnen het sociale zekerheidsrecht. Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de Sociale verzekeringsbank (Svb) en verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Svb nam vervolgens een gewijzigde beslissing op bezwaar waarin zij volledig aan appellante tegemoetkwam.
Appellante trok daarop het hoger beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten. De Raad oordeelde dat het verzoek om schadevergoeding wegens huisbezoeken niet-ontvankelijk was omdat dit verzoek pas na intrekking van het hoger beroep was ingediend. Ten aanzien van de redelijke termijn stelde de Raad dat deze eindigt op het moment van het bekendmaken van het tegemoetkomend besluit als het hoger beroep daarna niet wordt ingetrokken.
Omdat de gewijzigde beslissing op bezwaar op 3 maart 2021 bekend werd gemaakt en het hoger beroep pas op 6 mei 2021 werd ingetrokken, eindigde de redelijke termijn op 3 maart 2021. De totale duur van de procedure bedroeg daarmee drie jaar en vijf maanden, wat binnen de redelijke termijn valt. Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd daarom afgewezen. De Raad veroordeelde de Svb wel in de proceskosten van appellante ter hoogte van €759,- wegens de behandeling van het hoger beroep.