ECLI:NL:CRVB:2022:93
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep door CIZ
De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep van betrokkene tegen het CIZ. Het CIZ had het hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel, maar trok dit hoger beroep bij brief van 30 september 2021 in. Betrokkene verzocht daarop om veroordeling van het CIZ in de proceskosten.
De Raad overwoog dat bij intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan in beginsel een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. Het CIZ voerde aan dat intrekking volgde op eerdere uitspraken van de Raad, maar kon geen bijzondere omstandigheden aantonen die een uitzondering rechtvaardigen.
De Raad veroordeelde het CIZ daarom tot vergoeding van de proceskosten die betrokkene redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op €759,- voor verleende rechtsbijstand. Vergoeding van de eigen bijdrage voor deze rechtsbijstand werd afgewezen, omdat deze niet in de limitatieve opsomming van het Besluit proceskosten bestuursrecht is opgenomen. Wel werden reiskosten van €17,40 toegewezen.
De Raad bepaalde dat het CIZ de kosten van betrokkene tot een bedrag van €776,40 vergoedt. Deze uitspraak werd gedaan door rechter E.J. Otten, in aanwezigheid van griffier K.R. van Renswoude, en uitgesproken op 13 januari 2022.
Uitkomst: Het CIZ wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van betrokkene tot een bedrag van €776,40, met afwijzing van vergoeding van eigen bijdrage voor rechtsbijstand.