ECLI:NL:CRVB:2022:934
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing Ziektewet-uitkering na beoordeling geschiktheid maatmanfunctie
Appellante was ziek gemeld en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV stelde vast dat zij vanaf 23 maart 2018 meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde de uitkering. De rechtbank vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. In hoger beroep betoogde appellante dat zij door lichamelijke en psychische beperkingen en taalachterstand niet geschikt was voor haar maatmanfunctie of de geselecteerde functies.
De Raad overwoog dat bijzondere verzwarende aspecten van het werk buiten beschouwing moeten worden gelaten, maar verlichtende aspecten niet. De Raad vond dat het UWV de beperkingen juist had beoordeeld en dat appellante ondanks haar klachten geschikt was voor haar eigen werk. Nieuwe medische informatie werd niet ingebracht en er was geen aanleiding voor benoeming van een deskundige.
De Raad wees de aanvullende stukken van appellante buiten beschouwing wegens te late indiening en volgde het UWV in de erkenning dat de gewijzigde functieselectie niet met terugwerkende kracht kon worden toegepast. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, met verbetering van de gronden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellante geschikt is voor haar maatmanfunctie en de Ziektewet-uitkering terecht is beëindigd.