ECLI:NL:CRVB:2022:937

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 april 2022
Publicatiedatum
4 mei 2022
Zaaknummer
20/3619 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging zorgvuldig medisch onderzoek UWV bij herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om zijn ziekengeld op grond van de Ziektewet per 26 augustus 2019 te beëindigen, omdat hij volgens het UWV geschikt was voor ten minste één van de functies die eerder waren vastgesteld bij de WAO-herziening van 2017.

De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen toename van beperkingen constateerde. Appellant stelde in hoger beroep dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn klachten en beperkingen waren onderschat, maar kon dit niet onderbouwen.

De Centrale Raad van Beroep volgt de rechtbank in haar oordeel. Er is geen aanwijzing dat het medisch dossier onvolledig is of dat de verzekeringsarts een fout heeft gemaakt. De WAO-herziening per 21 april 2017 staat vast en is niet onderwerp van deze procedure.

Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

20 3619 ZW

Datum uitspraak: 21 april 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 oktober 2020, 20/54 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2022. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich via beeldbellen laten vertegenwoordigen door mr. G. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.
Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 11 augustus 2017 de eerder aan appellant toegekende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 21 april 2017 herzien, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 55 tot 65%. Appellant werd belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van
22 december 2016. Appellant werd met zijn beperkingen in staat geacht de functies van machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122), machinebediende inpak- en verpakkingsmachine (SBC-code 271093) en productiemedewerker machinaal inpakken (SBC-code 111175) te vervullen. Bij uitspraak van 14 juni 2018 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 augustus 2017 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 9 mei 2019 heeft de Raad het hoger beroep van appellant tegen deze uitspraak van de rechtbank
niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Appellant heeft zich op 20 juni 2019 ziekgemeld met toegenomen klachten. Op dat moment ontving appellant naast zijn WAO-uitkering een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op 25 juli 2019 heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft informatie opgevraagd bij de huisarts en de cardioloog en na ontvangst daarvan appellant per 26 juli 2019 geschikt geacht voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de WAO. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 30 augustus 2019 vastgesteld dat appellant per 26 augustus 2019 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 30 december 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een arts bezwaar en beroep van 4 december 2019 ten grondslag die het standpunt heeft ingenomen dat er geen reden is uit te gaan van ten opzichte van de FML van 22 december 2016 toegenomen beperkingen.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig geweest. Uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat zij op de hoogte was van de klachten van appellant, waaronder zijn longklachten, hartklachten (hartritmestoornis en hypertensie), knieklachten, lage rugklachten, algehele conditionele achterstand en stemmingsklachten. De arts bezwaar en beroep heeft appellant gezien op de hoorzitting en heeft appellant aansluitend lichamelijk onderzocht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arts bezwaar en beroep haar standpunt verder voldoende gemotiveerd. De al bekende medische problematiek van appellant, evenals de vaatklachten (aneurysma) zoals die blijken uit de recent overgelegde medische informatie, leiden niet tot aanpassing van de beperkingen, zodat appellant per datum in geding geschikt is voor het verrichten van (ten minste één van) de eerder in het kader van de WAO geselecteerde functies.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het onderzoek van de Uwv-artsen onzorgvuldig is geweest en dat zijn lichamelijke klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen op de datum in geding zijn onderschat. Appellant heeft gesteld dat zijn medisch dossier nog niet compleet was en dat de rechtbank ten onrechte niets heeft overwogen over zijn standpunt dat de Uwv-arts heeft bevestigd dat hij (de Uwv-arts) een grote fout heeft gemaakt.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de WAO. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de WAO.
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Zowel in eerste als in tweede instantie is informatie bij behandelaars opgevraagd, onder meer van de longarts en van de cardioloog. Deze informatie is ook verkregen. Niet is gebleken dat informatie ontbreekt. Nergens in het dossier is te lezen dat de Uwv-arts heeft verklaard dat hij een fout gemaakt heeft. Dat deze arts een relevante fout heeft gemaakt blijkt ook overigens niet uit zijn beoordeling. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de in op
22 december 2016 vastgestelde afwijkingen en beperkingen op de datum in geding niet waren toegenomen. De stelling van appellant dat dit wel zo is, heeft hij niet onderbouwd.
4.3.
Voor zover appellant heeft bedoeld te stellen dat er een fout is gemaakt bij de
WAO-herziening per 21 april 2017 en dat hij die datum in deze procedure wenst te laten beoordelen wordt gewezen op de beschrijving onder 1.1. De WAO-herziening per die datum staat in rechte vast en is in deze procedure niet aan de orde.
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2022.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) L. Winters