ECLI:NL:CRVB:2022:968
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was productiemedewerkster en schoonmaakster en meldde zich in 2008 ziek met psychische en later lichamelijke klachten. Het UWV kende haar aanvankelijk geen WIA-uitkering toe wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, maar in 2013 werd een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2019 stelde het UWV dat appellante volledig belastbaar was en beëindigde de WGA-loonaanvullingsuitkering.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsartsen terecht geen urenbeperkingen aannamen vanwege vermoeidheidsklachten. Appellante stelde in hoger beroep dat de functionele mogelijkhedenlijst onjuist was omdat geen rekening was gehouden met werktijdenbeperkingen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV. De medische rapporten en aanvullende stukken van de vermoeidheidskliniek gaven geen aanleiding tot het aannemen van een urenbeperking. De klachten pasten binnen het herstel na een maagverkleining en er was geen objectieve stoornis in de energiehuishouding. De Raad concludeerde dat het UWV de uitkering terecht heeft beëindigd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WGA-loonaanvullingsuitkering terecht heeft beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.