ECLI:NL:CRVB:2022:970
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na beoordeling fysieke beperkingen en geschiktheid arbeid
Appellant, laatstelijk werkzaam als schilder, meldde zich ziek met klachten aan zijn rechterarm en later met andere klachten, waarop het UWV een Ziektewetuitkering toekende. Na diverse medische en arbeidskundige onderzoeken stelde het UWV vast dat appellant geschikt was voor andere functies dan zijn oude werk en beëindigde de ZW-uitkering. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze besluiten, maar deze werden ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk had gemaakt dat appellant niet voldeed aan de indicatiegebieden voor een urenbeperking volgens de Standaard duurbelastbaarheid in arbeid. De functionele mogelijkhedenlijst (FML) hield voldoende rekening met de fysieke beperkingen van appellant. In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, met name over de noodzaak van een duurbeperking vanwege pijnklachten en een beperkt dagverhaal.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Er waren geen nieuwe medische stukken ingediend en de beperkingen waren adequaat in de FML verwerkt. Er was geen sprake van een situatie waarin appellant niet meer toekomt aan zijn privéleven of een reëel risico op gezondheidsschade bij passend werk. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de ZW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij geschikt is voor passende arbeid.