Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:974

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2022
Publicatiedatum
9 mei 2022
Zaaknummer
21/1246 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIAArt. 7:15 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, laatst werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV niet onzorgvuldig had gehandeld en dat de medische beperkingen voldoende waren vastgesteld. Appellant bracht geen aanvullende medische gegevens in.

In hoger beroep handhaafde appellant zijn eerdere standpunten zonder nieuwe gronden te overleggen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en concludeerde dat het UWV terecht de WIA-uitkering had geweigerd. De Raad bevestigde de uitspraak en wees een veroordeling in proceskosten af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

Uitspraak

21.1246 WIA

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 maart 2021, 20/2603 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 28 april 2022
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.J. Stronks, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen niet binnen de gestelde termijn hebben verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord.
Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaker voor 30 uur per week. Op 19 oktober 2017 heeft appellant zich ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 augustus 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 27 augustus 2019 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 17 oktober 2019 een WIAuitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 22 april 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 20 april 2020 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 21 april 2020 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het Uwv, anders dan appellant heeft betoogd, niet onzorgvuldig gehandeld omdat het Uwv in bezwaar de mogelijkheid heeft om eventuele gebreken, zoals aanpassing van de maatmanomvang of het maatmaninkomen, te repareren. Met het besluit van 27 augustus 2019 is de aanvraag van appellant om een WIAuitkering afgewezen en met het bestreden besluit is die beslissing gehandhaafd, zij het met een andere motivering. Omdat de rechtsgevolgen van het primaire besluit in stand worden gelaten, is er volgens de rechtbank geen sprake van herroepen van een besluit als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Daarom is het Uwv volgens de rechtbank niet gehouden om de kosten voor de behandeling in bezwaar te vergoeden. Dat de medische beperkingen van appellant niet goed, dan wel onzorgvuldig zijn vastgesteld heeft appellant niet met medische gegevens onderbouwd en ook niet toegelicht op de hoorzitting in bezwaar of op de zitting van de rechtbank. De rechtbank heeft deze beroepsgrond dan ook verworpen.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant enkel te kennen gegeven dat hij zijn eerder bij de rechtbank ingenomen stellingen handhaaft.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 17 oktober 2019 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
In hoger beroep heeft appellant verwezen naar de gronden die hij in beroep heeft ingediend en in hoger beroep afgezien om nadere gronden in te dienen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De onder 2 weergegeven overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 20 april 2020 op een inzichtelijke wijze uiteen heeft gezet dat het duidelijk is dat appellant chronische klachten heeft die zijn fysieke functioneren in lichte mate hinderen. Hiermee is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML voldoende rekening gehouden. Appellant heeft geen medische gegevens overgelegd die kunnen leiden tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
4.4.
Uit 4.3 volgt dat het Uwv terecht heeft geweigerd om appellant met ingang van 17 oktober 2019 een WIA-uitkering toe te kennen. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2022.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) M.D.F. de Moor