ECLI:NL:CRVB:2022:974
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatst werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV niet onzorgvuldig had gehandeld en dat de medische beperkingen voldoende waren vastgesteld. Appellant bracht geen aanvullende medische gegevens in.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn eerdere standpunten zonder nieuwe gronden te overleggen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en concludeerde dat het UWV terecht de WIA-uitkering had geweigerd. De Raad bevestigde de uitspraak en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.