Uitspraak
22.2161 WIA
OVERWEGINGEN
IVA-uitkering. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek om een IVA-uitkering, omdat het UWV haar een WGA-uitkering toekende met een arbeidsongeschiktheid van 100%, maar zonder erkenning van duurzaamheid.
De rechtbank Amsterdam had het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, waarbij werd overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende had gemotiveerd dat er op de datum in geding nog reële kansen op verbetering van de belastbaarheid waren, mede door geplande behandelingen zoals rouwtherapie, fysiotherapie en diëtetiek.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar ziektebeeld, het progressieve Ehlers-Danlos syndroom, niet adequaat was beoordeeld en dat haar beperkingen duurzaam zijn, mede gezien de ondersteuning vanuit de WMO. De Raad oordeelde echter dat de beoordeling zich richt op de situatie en herstelkansen op de datum in geding, 23 januari 2021, en dat de medische informatie en rapportages van specialisten door de UWV-artsen zijn meegewogen.
De Raad concludeerde dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was en dat het beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de IVA-uitkering bevestigd.