Uitspraak
21.2214 ZW
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, laatstelijk werkzaam als administratief medewerker, meldde zich in november 2015 ziek en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering in 2016 en 2018 op grond van de inschatting dat appellant geschikt was voor andere functies, wat na bezwaar werd gehandhaafd. Na een nieuwe ziekmelding in 2018 weigerde het UWV opnieuw een ZW-uitkering toe te kennen, wat eveneens werd afgewezen bij bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de beperkingen correct waren vastgesteld. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn fysieke en psychische klachten onvoldoende waren meegewogen, en dat een urenbeperking noodzakelijk was.
De Raad liet zich adviseren door een onafhankelijke deskundige die concludeerde dat de klachtenpresentatie van appellant niet betrouwbaar was vanwege aanwijzingen voor aanzetten van klachten. Het rapport van psychiater Schoutrop uit 2020 bood volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding voor een andere beoordeling.
De Raad oordeelde dat het UWV de beperkingen adequaat had vastgesteld en dat er geen reden was om het bestreden besluit te vernietigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.