ECLI:NL:CRVB:2023:1033
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor schuld aan taalcoach wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellante, bijstandsgerechtigde op grond van de Participatiewet, verzocht het college om bijzondere bijstand voor kosten van kinderopvang in 2015, die zij vooraf met geleend geld van haar taalcoach had voldaan. Het college wees dit verzoek af omdat het ging om een schuld waarvoor geen bijzondere bijstand wordt verleend volgens artikel 13 van Pro de Participatiewet. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
Appellante stelde in hoger beroep dat de situatie vergelijkbaar was met 2014, toen zij wel bijzondere bijstand ontving voor terugbetaling van kinderopvangtoeslag. De Raad oordeelde dat het verschil in aard van de schuld doorslaggevend is: in 2014 was sprake van invordering door de Belastingdienst met risico op ernstige schuldenproblematiek, in 2015 betrof het een schuld aan een particulier zonder vergelijkbare omstandigheden.
Verder concludeerde de Raad dat er geen sprake was van zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 49 van Pro de Participatiewet, die een uitzondering op het verbod op bijstand voor schulden vormen. De situatie van appellante was niet ernstig genoeg om deze uitzondering toe te passen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijzondere bijstand bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand voor de schuld aan de taalcoach wordt bevestigd wegens ontbreken van zeer dringende redenen.