ECLI:NL:CRVB:2023:1054
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering bijzondere bijstand voor huurschuld wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellant, die sinds 1997 bijstand ontvangt en in een huurwoning woont, vroeg bijzondere bijstand aan voor een huurschuld van €1.247,30. Het college wees dit af op grond van artikel 13 lid 1 onder Pro g van de Participatiewet, omdat bijstand voor schulden in principe niet wordt toegekend en er geen zeer dringende redenen waren zoals bedoeld in artikel 49 lid 1 onder Pro b van de Participatiewet.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde het besluit van het college. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn langdurige moeilijke omstandigheden, PTSS en het risico op huisuitzetting zeer dringende redenen vormden. De Raad oordeelde dat zeer dringende redenen alleen bestaan als schulden leiden tot een onvermijdelijke bedreiging van het bestaan, zoals huisuitzetting of afsluiting van nutsvoorzieningen.
Tijdens de zitting bleek dat de huurverhoging was bevroren, appellant de huur kon betalen en er geen dreiging van huisuitzetting of afsluiting was. Hoewel de Raad begrip toonde voor de wens van appellant voor een verhuiskostenvergoeding, concludeerde hij dat de voorwaarden voor bijzondere bijstand niet waren vervuld. Het hoger beroep werd afgewezen, de eerdere uitspraak bevestigd en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de huurschuld wordt bevestigd wegens ontbreken van zeer dringende redenen.