ECLI:NL:CRVB:2023:106
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling
Appellante, laatstelijk werkzaam als callcentermedewerker, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het ontbreken van een spreekuurcontact met een verzekeringsarts gerechtvaardigd was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten waren toegenomen en dat een nader medisch onderzoek noodzakelijk was, met name vanwege chronische darmproblemen, schouderklachten en een stoornis in de energiehuishouding. De Raad oordeelde dat deze gronden een herhaling van eerdere bezwaren waren en dat het UWV voldoende rekening had gehouden met de beperkingen, mede op basis van aanvullende rapporten en een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit, ondanks een aanvankelijke schending van de Awb, in hoger beroep voldoende onderbouwd was en dat de weigering van de WIA-uitkering terecht was. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.