Appellant, laatstelijk werkzaam als tuinbouwmedewerker, meldde zich in februari 2018 ziek met psychische en rugklachten. Het UWV kende hem aanvankelijk een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van circa 45%. Na bezwaar en aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek werd de arbeidsongeschiktheid verhoogd naar 100%, waarna het UWV een WGA-loonaanvullingsuitkering toekende, maar de IVA-uitkering weigerde vanwege onvoldoende duurzaamheid.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgde dat er nog een redelijke kans op verbetering bestaat voor zowel rug- als psychische klachten. Appellant voerde in hoger beroep aan dat deze kans onterecht werd aangenomen, onderbouwde dit met zijn behandelingen en klachten, maar bracht geen nieuwe medische informatie in.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is, waarbij het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op inzichtelijke wijze is toegelicht. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.