Appellante was administratief medewerkster en meldde zich op 21 november 2018 ziek. Het UWV kende haar een ZW-uitkering toe, die later werd beëindigd na een eerstejaars beoordeling (EZWb) omdat zij geschikt werd geacht voor andere functies. Na bezwaar en beroep werd de uitkering opnieuw beëindigd per 19 maart 2021 op basis van een rapport van een arts bezwaar en beroep.
Appellante voerde aan dat haar belastbaarheid onjuist was vastgesteld en dat zij meer beperkingen had, onderbouwd met een rapport van een verzekeringsarts van 7 maart 2023. De Raad oordeelde dat volgens het gewijzigde toetsingskader van de EZWb ten minste drie functies geschikt moeten zijn en dat de belastbaarheid niet wezenlijk was verslechterd.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde dat de beperkingen van appellante op 19 maart 2021 niet waren toegenomen, mede gelet op medische gegevens en het stoppen met medicatie. De Raad vond geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige en verwierp het hoger beroep.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante. De uitspraak bevestigt dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd omdat appellante per de datum in geding geschikt was voor arbeid.