Uitspraak
19.2610 ZW, 19/3204 ZW, 19/3906 ZW
OVERWEGINGEN
primaire besluit 1) op die grond aan betrokkene ziekengeld geweigerd.
bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep was betrokkene, gelet op de medische informatie van het Hand & Pols Centrum, op het punt van hand- en vingergebruik van de linkerhand meer beperkt dan eerder werd aangenomen. Ook met deze beperking is betrokkene echter nog geschikt voor de functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) – meer precies: de deelfunctie 3693.3333.023 (soldering operator) binnen deze functie –, die bij de EZWb als reservefunctie was geselecteerd.
primaire besluit 2) heeft het Uwv het verzoek van betrokkene om terug te komen van het besluit van 9 juni 2016 afgewezen. Het bezwaar van betrokkene tegen het primaire besluit 2 heeft het Uwv ongegrond verklaard bij besluit van 23 november 2018 (
bestreden besluit 2). Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
aangevallen uitspraak 1is het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtgevolgen van dat vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit 1 in strijd is met het motiveringsbeginsel, gelet op het in de tussenuitspraak vastgestelde motiveringsgebrek. De rechtbank acht het gebrek hersteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de weigering om per 12 september 2016 een ZW-uitkering toe te kennen niet in strijd met ILO-conventie 121. Hierbij is overwogen dat de artikelen 6, 9, 14 en 20 van ILOconventie 121 in zoverre rechtstreekse werking hebben dat daaruit duidelijk blijkt dat er in bepaalde gevallen een (proportionele) voorziening moet zijn voor inkomensderving als gevolg van een arbeidsongeval of beroepsziekte. Volgens de rechtbank moet, gelet op deze verdragsbepalingen, de vraag of sprake is van verlies van de geschiktheid om inkomsten uit arbeid te verwerven worden bezien in relatie tot het werk waarin betrokkene het arbeidsongeval is overkomen, te weten zijn werk als loodgieter. Bij betrokkene moet worden beoordeeld of sprake is van een verlies aan verdienvermogen dat uitgaat boven een voorgeschreven minimum als bedoeld in artikel 6, aanhef en onder c, van ILO-conventie 121. In Nederland is bij de EZWb gekozen voor een ondergrens van 35% verlies aan verdiencapaciteit waaraan voldaan moet zijn voor het recht op een ZW-uitkering. Met de reservefunctie heeft betrokkene theoretisch een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 35%. De rechtbank is van oordeel dat het hanteren van deze ondergrens niet in strijd is met de conventie. Op grond van artikel 14, vijfde lid, van ILO-conventie 121 mogen de graden van verlies van de geschiktheid niet zodanig worden vastgesteld dat de betrokkene in behoeftige omstandigheden komt. Volgens de rechtbank biedt het Nederlandse systeem met de voorzieningen van de WW en de (aanvullende) bijstand op grond van de Participatiewet een (minimum)compensatie die voldoet aan de verdragsnormen.
aangevallen uitspraak 2heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die tot een ander besluit aanleiding geven. De door de betrokkene overgelegde stukken leiden niet tot een andere visie op zijn medische situatie op of rond 18 juli 2016. Wat betreft het beroep van betrokkene op ILO-conventie 121 heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv in het bestreden besluit 2 vanuit een oogpunt van efficiëntie heeft mogen volstaan met een verwijzing naar de beroepsprocedure over het bestreden besluit 1.
.
BESLISSING
- vernietigt aangevallen uitspraak 1 voor zover daarbij de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand zijn gelaten;
- bevestigt aangevallen uitspraak 1 voor het overige;
- herroept het besluit van 22 november 2016, kent betrokkene per 20 oktober 2016 een ZWuitkering toe en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 3 april 2017;
- bevestigt aangevallen uitspraak 2;
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan betrokkene van wettelijke rente zoals onder punt 4.14.12 van deze uitspraak is vermeld;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan betrokkene van schade tot een bedrag van € 2.500,-;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 3.657,75;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van €379,50,-;
- bepaalt dat het Uwv aan betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 128,- vergoedt.