Appellante, geboren in 1950 en bekend met lichamelijke klachten, vroeg het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om huishoudelijke ondersteuning en begeleiding op grond van de Wmo 2015. Het college wees de aanvraag af op basis van een advies van het Indicatieadviesbureau Amsterdam (IAB), dat stelde dat de inwonende dochter en het kleinkind gebruikelijke hulp boden. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de concrete omvang van haar ondersteuningsbehoefte en de mate waarin haar dochter en kleinkind deze hulp konden bieden. De Raad oordeelde dat het IAB-advies slechts de aard van de ondersteuning vermeldde, maar niet de omvang, waardoor niet kon worden beoordeeld of de noodzakelijke hulp redelijkerwijs van de inwonenden mocht worden verwacht.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de voorzieningenrechter, verklaarde het beroep gegrond en gaf het college opdracht tot een nieuwe beslissing op bezwaar met een zorgvuldig onderzoek naar de omvang van de ondersteuningsbehoefte. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante.