ECLI:NL:CRVB:2023:1092
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing IOAZ-uitkering wegens niet voldoen urencriterium zelfstandige
Appellant had een eenmanszaak in metaalbewerking en watersport en vroeg een IOAZ-uitkering aan. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet kon aantonen dat hij in 2017 minimaal 1225 uren in zijn bedrijf had gewerkt, een vereiste voor de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel aan het urencriterium voldeed, onder meer omdat hij bereikbaar was voor klanten en wachturen meegeteld moesten worden. Ook stelde hij dat hij ten onrechte niet was gehoord en dat zijn aanvraag tevens als algemene bijstand moest worden beschouwd.
De Raad oordeelde dat appellant geen objectief bewijs had geleverd, zoals een urenadministratie, en dat een e-mail van de boekhouder onvoldoende was. De aanwezigheid op het woonadres was onvoldoende om het aantal uren te bewijzen. Het college had appellant terecht niet opnieuw gehoord omdat de afwijzing was gebaseerd op door hemzelf verstrekte gegevens. Ook was er geen sprake van een aanvraag algemene bijstand, aangezien appellant die later apart had ingediend.
De Raad bevestigde daarmee de afwijzing van de IOAZ-uitkering en wees het hoger beroep af. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De afwijzing van de IOAZ-uitkering wordt bevestigd omdat appellant het urencriterium niet aannemelijk heeft gemaakt.