Appellant ontving sinds 2014 een IOAW-uitkering en stond ingeschreven op het uitkeringsadres sinds april 2018. Het college trok de uitkering per 27 december 2018 in en vorderde de betaalde uitkering terug wegens twijfel over het hoofdverblijf van appellant. Uit onderzoek bleek het waterverbruik op het uitkeringsadres extreem laag, wat de conclusie ondersteunde dat appellant daar niet woonde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk op het adres woonde en gaf hij verklaringen voor het lage waterverbruik. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in de eerste periode (27 december 2018 tot 7 januari 2020) zijn hoofdverblijf op het adres had, maar dat voor de tweede periode (8 januari 2020 tot 11 februari 2020) het waterverbruik niet extreem laag was en de intrekking onterecht was.
De Raad vernietigde het besluit voor het tweede deel van de periode, herroept de intrekking over die periode en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht van appellant. De terugvordering blijft onverminderd van kracht voor het eerste deel van de periode.