ECLI:NL:CRVB:2023:1114
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 74,64% volgens Wet WIA
Appellant, laatstelijk werkzaam als kasmedewerker, meldde zich ziek met diverse klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek vast dat appellant voor 74,64% arbeidsongeschikt is en wees een loongerelateerde WGA-uitkering toe. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen deze vaststelling, stellende dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en recht heeft op een IVA-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had inzichtelijk gemotiveerd waarom appellant niet volledig arbeidsongeschikt is en dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsberekening is gebaseerd medisch geschikt zijn.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten zonder nieuwe medische informatie aan te dragen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt is. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vaststelling van 74,64% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.