ECLI:NL:CRVB:2023:1116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen beëindiging Ziektewetuitkering wegens zwangerschap
Appellante werd door het UWV per 17 april 2018 geen recht meer toegekend op een Ziektewetuitkering wegens vermeende arbeidsongeschiktheid die niet door zwangerschap of bevalling werd veroorzaakt. Na bezwaar handhaafde het UWV dit besluit, waarna appellante beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep benoemde de Raad een deskundige die concludeerde dat de arbeidsongeschiktheid wel door zwangerschap of bevalling werd veroorzaakt.
Hierop wijzigde het UWV het besluit op bezwaar en erkende het recht op uitkering vanaf 17 april 2018. Hierdoor was het hoger beroep feitelijk overtollig en werd het niet-ontvankelijk verklaard. Appellante vorderde schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarop de Raad oordeelde dat de procedure met negen maanden was overschreden, hetgeen een vergoeding van €1.000,- rechtvaardigde.
De Raad veroordeelde daarnaast het UWV en de Staat tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak werd gedaan door E.W. Akkerman namens de Centrale Raad van Beroep op 8 juni 2023.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.