Uitspraak
22.1788 WIA
mr. L.J.M.M. de Poel.
OVERWEGINGEN
24 januari 2021 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was hoofdconducteur en meldde zich in 2012 ziek met fysieke klachten. Het UWV kende hem vanaf 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met 100% arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordeling in 2020 stelde een verzekeringsarts vast dat appellant belastbaar was met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op basis van arbeidsdeskundig onderzoek werd de arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 35%, waarna de WGA-uitkering per 24 januari 2021 werd beëindigd.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er onvoldoende aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van de FML en de arbeidskundige beoordeling. Appellant bracht in hoger beroep aanvullende medische stukken in, maar deze zagen grotendeels niet op de datum in geding of waren reeds bekend en betrokken bij eerdere beoordelingen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en oordeelde dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% had vastgesteld en de WGA-uitkering had beëindigd. De Raad verwierp het beroep van appellant en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering per 24 januari 2021 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.