ECLI:NL:CRVB:2023:1145
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 41,84% volgens Wet WIA
Appellante, laatst werkzaam als customer service medewerker, meldde zich ziek met psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij 41,84% arbeidsongeschikt was per 4 februari 2020. Appellante maakte bezwaar tegen deze vaststelling, met name over de beoordeling van haar beperkingen en de diagnose agorafobie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het UWV het eerdere zorgvuldigheidsgebrek had hersteld door aanvullend onderzoek, en dat er geen aanwijzingen waren dat de beperkingen waren onderschat. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar agorafobie onvoldoende was meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het aanvullende onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig is uitgevoerd, inclusief een fysiek spreekuurcontact en het betrekken van aanvullende medische informatie. Hoewel appellante emotioneel was tijdens het gesprek, is dit niet relevant voor de datum in geding. De Raad volgt de rechtbank dat er geen medische onderbouwing is voor een andere beoordeling van de beperkingen, en bevestigt het arbeidsongeschiktheidspercentage van 41,84%.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellante op 41,84% terecht heeft vastgesteld.