Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, maar de Raad verklaarde zich onbevoegd omdat de wet geen hoger beroep tegen eigen uitspraken toestaat. Eerder was het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig betalen van griffierecht, waarna appellant verzet instelde dat ongegrond werd verklaard.
Appellant verzocht tevens om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, welke de Raad toekende. De behandeling van het hoger beroep duurde ruim twee jaar, hetgeen de maximale termijn overschreed. De Raad veroordeelde de Staat tot betaling van €500 immateriële schadevergoeding.
Daarnaast werd het betaalde griffierecht van €134 aan appellant terugbetaald. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend omdat die reeds in een andere uitspraak was vergoed.
De uitspraak werd gedaan door A.J. Schaap, in aanwezigheid van griffier L.G. Cornelissen, op 19 juni 2023.