AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vergoeding schade wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedure
Verzoekster stelde een verzoek om schadevergoeding in wegens overschrijding van de redelijke termijn in een bestuursrechtelijke procedure tegen het college van burgemeester en wethouders van Groningen en de Staat der Nederlanden. Het hoger beroep betrof een afwijzing van een dwangsom, waarbij partijen ter zitting overeenstemming bereikten over het geschil rondom de dwangsom en verzoekster het hoger beroep introk.
De Raad beoordeelde dat de totale procedure vanaf ontvangst van het bezwaarschrift tot intrekking van het hoger beroep vier jaar en ruim twee maanden had geduurd. Dit overschreed de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRMPro met ruim twee maanden, zonder dat er bijzondere omstandigheden waren die een langere termijn rechtvaardigden.
De Raad stelde vast dat de behandeling van het bezwaar binnen de toegestane zes maanden was gebleven, zodat de overschrijding uitsluitend in de rechterlijke fase lag. Op grond hiervan werd de Staat veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €500 aan verzoekster.
Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster, begroot op €418,50 voor verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door rechter D. Hardonk-Prins, in aanwezigheid van griffier L.C. van Bentum, en uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2023.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding en €418,50 proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
21 1170 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat)
Datum uitspraak: 13 juni 2023
PROCESVERLOOP
Namens verzoekster heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 februari 2021, 19/2753, bij welke uitspraak het beroep tegen de bij beslissing op bezwaar van 18 juni 2019 gehandhaafde afwijzing van een dwangsom ongegrond is verklaard.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft – door middel van beeldbellen – plaatsgevonden op 30 mei 2023. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door I.M. van Dijk-Abeln.
Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over wat hen verdeeld houdt rondom de dwangsom en heeft verzoekster het hoger beroep ingetrokken. Verzoekster wenst alleen nog een uitspraak over het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, welk verzoek zij ter zitting heeft gedaan. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
OVERWEGINGEN
1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
1.1.
Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geldt het volgende.
1.2.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
1.3.
Vanaf de datum van ontvangst door het college van het bezwaarschrift op 22 maart 2019 tot aan de datum van intrekking van het hoger beroep heeft de procedure vier jaar en ruim twee maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van verzoekster zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim twee maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-.
1.4.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van het college minder dan zes maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn alleen in de rechterlijke fase is geschonden. De Staat wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan verzoekster tot een bedrag van € 500,-.
2. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoekster in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 418,50 (1 punt, met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 837,-) voor verleende rechtsbijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan verzoekster van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2023.