ECLI:NL:CRVB:2023:1158

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juni 2023
Publicatiedatum
22 juni 2023
Zaaknummer
21 / 3709 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3 Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand wegens voldoende draagkracht zonder minnelijke schuldregeling

Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten van eigen bijdrage rechtsbijstand en griffierecht. Het college wees de aanvraag af omdat appellant voldoende draagkracht had om deze kosten te dragen. Appellant was wel toegelaten tot schuldhulpverlening, maar er was geen minnelijke schuldregeling tot stand gekomen en ook liep er geen WSNP-traject.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het college de draagkracht terecht niet op nihil stelde, conform de Beleidsregels bijzondere bijstand. De rechtbank vond ook geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule omdat appellant geen omstandigheden had aangevoerd die onbillijkheden van overwegende aard veroorzaakten.

In hoger beroep voerde appellant soortgelijke gronden aan, maar de Raad vond geen reden om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. Er was voldoende draagkracht, geen minnelijke schuldregeling of WSNP-traject, en geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De afwijzing van de bijzondere bijstand wordt bevestigd omdat appellant voldoende draagkracht had en geen minnelijke schuldregeling of WSNP-traject liep.

Uitspraak

21/3709 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 september 2021, 20/6403 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (college)
Datum uitspraak: 6 juni 2023

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2023. Voor appellant is mr. Molenaar verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Kok.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 27 december 2019 een aanvraag om schuldhulpverlening ingediend, die bij besluit van 12 maart 2020 is toegekend. Bij beschikking van 20 april 2020 heeft de kantonrechter te Amsterdam het vermogen van appellant onder bewind gesteld wegens problematische schulden. Bij besluit van 18 augustus 2020 is het schuldhulpverleningstraject beëindigd wegens onvoldoende medewerking van appellant.
1.2.
Appellant ontving een WIA-uitkering. Hij heeft op 19 maart 2020 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand en griffierecht van totaal € 413,-.
1.3.
Bij besluit van 7 juli 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 oktober 2020 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van 19 maart 2020 afgewezen. Aan de afwijzing heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd geheel kunnen worden vergoed vanuit de draagkracht van appellant. Appellant is weliswaar toegelaten tot de schuldhulpverlening, maar er is vooralsnog geen minnelijke schuldregeling tot stand gekomen. Daarom kan de draagkracht niet op nihil worden gesteld en dient uit te worden gegaan van de inkomsten die appellant heeft.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3, vierde lid van de Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen (de Beleidsregels), volgt dat het college de draagkracht alleen op nihil stelt als er een minnelijke schuldenregeling tot stand is gekomen, waarbij de afloscapaciteit – berekend conform de ReCoFa-methode – al gereserveerd of afbetaald wordt, óf gedurende een WNSP-traject. Volgens de rechtbank volgde appellant op het moment van de aanvraag geen van beide trajecten. Daarom heeft het college de draagkracht van appellant terecht niet op nihil gesteld. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat het college kan afwijken van de Beleidsregels als toepassing hiervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Appellant heeft volgens de rechtbank geen omstandigheden genoemd die het gevolg zijn of zullen zijn van toepassing van de Beleidsregels. Voor toepassing van de hardheidsclausule bestond daarom geen aanleiding.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, samengevat dat de draagkracht ten onrechte niet op nihil is gesteld, dan wel dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen, zijn in wezen gelijk aan de gronden in beroep. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom die gemotiveerde weerlegging onjuist of onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en de overwegingen waarop dat oordeel rust. Appellant beschikte ten tijde hier van belang over voldoende draagkracht om de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand en het griffierecht te voldoen. Niet is gebleken dat het tot een minnelijke schuldenregeling is gekomen en van WSNP was evenmin sprake. Daarnaast is er geen aanleiding om te oordelen dat het college in dit geval de hardheidsclausule had moeten toepassen. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand dus terecht afgewezen.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2023.
(getekend) A.M. Overbeeke
(getekend) R. van Doorn