ECLI:NL:CRVB:2023:1158
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand wegens voldoende draagkracht zonder minnelijke schuldregeling
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten van eigen bijdrage rechtsbijstand en griffierecht. Het college wees de aanvraag af omdat appellant voldoende draagkracht had om deze kosten te dragen. Appellant was wel toegelaten tot schuldhulpverlening, maar er was geen minnelijke schuldregeling tot stand gekomen en ook liep er geen WSNP-traject.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het college de draagkracht terecht niet op nihil stelde, conform de Beleidsregels bijzondere bijstand. De rechtbank vond ook geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule omdat appellant geen omstandigheden had aangevoerd die onbillijkheden van overwegende aard veroorzaakten.
In hoger beroep voerde appellant soortgelijke gronden aan, maar de Raad vond geen reden om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. Er was voldoende draagkracht, geen minnelijke schuldregeling of WSNP-traject, en geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijzondere bijstand wordt bevestigd omdat appellant voldoende draagkracht had en geen minnelijke schuldregeling of WSNP-traject liep.