ECLI:NL:CRVB:2023:116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens ontbreken ondertekening
Appellante maakte bezwaar tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) over haar AOW-rechten na het overlijden van haar echtgenoot. Het bezwaar werd ingediend via een niet-ondertekend WhatsApp-bericht. De Svb wees appellante meerdere keren op de noodzaak van een ondertekend bezwaarschrift en bood hersteltermijnen aan, maar ontving nooit een ondertekend document.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellante voldoende gelegenheid had gekregen om het bezwaar correct in te dienen. De Raad overwoog dat de ondertekening noodzakelijk is ter bewijs van identiteit en dat het niet-ondertekende bezwaar niet inhoudelijk kon worden behandeld.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar identiteit duidelijk was en dat de Svb haar gemachtigde had moeten wijzen op de ondertekening. De Raad verwierp deze argumenten en bevestigde dat het de verantwoordelijkheid van appellante was om tijdig een ondertekend bezwaarschrift in te dienen, al dan niet via een gemachtigde. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het bezwaar van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een ondertekend bezwaarschrift.