Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:1167

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 mei 2023
Publicatiedatum
22 juni 2023
Zaaknummer
21 / 4295 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 ParticipatiewetArt. 11 ParticipatiewetWet studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing eerdere bijstand en bijzondere bijstand naturalisatiekosten

In deze zaak stond de vraag centraal of het college van burgemeester en wethouders van Breda terecht de algemene bijstand aan appellante had toegekend met ingang van 1 maart 2020. Appellante stelde dat de bijstand al vanaf 1 februari 2020 had moeten worden toegekend vanwege de terugbetaling van studiefinanciering over die maand. De Raad oordeelde echter dat studiefinanciering als een voorliggende voorziening geldt en dat het feit dat appellante deze later moest terugbetalen niet afdoet aan het feit dat zij in februari 2020 feitelijk over middelen beschikte.

Daarnaast werd beoordeeld of het college terecht de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van naturalisatie had afgewezen. De Raad stelde vast dat de kosten al op 26 juni 2020 van de rekening van appellante waren afgeschreven, dus vóór de aanvraag op 7 juli 2020. Volgens de Participatiewet is er in beginsel geen recht op bijzondere bijstand voor kosten die ten tijde van de aanvraag al zijn voldaan, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. De door appellante aangevoerde moeilijke thuissituatie en taalbarrière werden niet als zodanig aangemerkt.

Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 november 2021 werd bevestigd. Appellante kreeg geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht werd niet teruggegeven.

Uitkomst: De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

21/4295 PW-PV en 21/4296 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 november 2021, 20/8595 en 21/472 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)
Datum uitspraak: 30 mei 2023
Zitting heeft: mr. E.C.E. Marechal
Griffier: S.C. Scholten
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 mei 2023. Voor appellante is verschenen mr. P.F.M. Gulickx. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. van Heugten en C.L. Verbunt.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Ingangsdatum algemene bijstand
Het gaat in deze zaak om de vraag of het college terecht de aangevraagde bijstand met ingang van 1 maart 2020 aan appellante heeft toegekend. De Raad is van oordeel dat, dat het geval is. Anders dan appellante betoogt, is er geen grondslag voor eerdere toekenning van de bijstand.
De beroepsgrond van appellante dat aan haar bijstand per 1 februari 2020 moet worden toegekend, omdat achteraf is gebleken ze de over februari 2020 door haar ontvangen studiefinanciering ten onrechte heeft ontvangen en moet terugbetalen, slaagt niet. Studiefinanciering is op grond van de Wet studiefinanciering 2000 aan te merken als een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de betrokkene toereikend en passend te zijn. De omstandigheid dat achteraf is gebleken dat appellante de studiefinanciering over de maand februari 2020 ten onrechte heeft ontvangen en moet terugbetalen, doet niet af aan het feit dat appellante gedurende deze periode studiefinanciering heeft ontvangen en daardoor feitelijk over middelen beschikte om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Dit is vaste jurisprudentie. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1253.
Afwijzing bijzondere bijstand
Het gaat in deze zaak om de vraag of het college de aanvraag van appellante voor bijzondere bijstand voor de kosten van naturalisatie terecht heeft afgewezen. De Raad is van oordeel dat, dat het geval is.
Vaststaat dat die kosten al zijn voldaan op 26 juni 2020. De kosten zijn namelijk op die dag van de rekening van appellante afgeschreven. Dat betekent dat de kosten waarop de aanvraag ziet al voorafgaand aan de aanvraag van 7 juli 2020 waren gemaakt en voldaan. Uit artikel 35, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet, vloeit voort dat in beginsel geen plaats is voor verlening van bijzondere bijstand voor kosten waarin ten tijde van de aanvraag al is voorzien. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. In dit geval is niet gebleken dat hiervan sprake is. De moeilijke thuissituatie en de taalbarrière van appellante kunnen niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden waardoor van het uitgangspunt moet worden afgeweken.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
Appellante krijgt daarom geen vergoeding van proceskosten en krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S.C. Scholten (getekend) E.C.E. Marechal