ECLI:NL:CRVB:2023:1167
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing eerdere bijstand en bijzondere bijstand naturalisatiekosten
In deze zaak stond de vraag centraal of het college van burgemeester en wethouders van Breda terecht de algemene bijstand aan appellante had toegekend met ingang van 1 maart 2020. Appellante stelde dat de bijstand al vanaf 1 februari 2020 had moeten worden toegekend vanwege de terugbetaling van studiefinanciering over die maand. De Raad oordeelde echter dat studiefinanciering als een voorliggende voorziening geldt en dat het feit dat appellante deze later moest terugbetalen niet afdoet aan het feit dat zij in februari 2020 feitelijk over middelen beschikte.
Daarnaast werd beoordeeld of het college terecht de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van naturalisatie had afgewezen. De Raad stelde vast dat de kosten al op 26 juni 2020 van de rekening van appellante waren afgeschreven, dus vóór de aanvraag op 7 juli 2020. Volgens de Participatiewet is er in beginsel geen recht op bijzondere bijstand voor kosten die ten tijde van de aanvraag al zijn voldaan, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. De door appellante aangevoerde moeilijke thuissituatie en taalbarrière werden niet als zodanig aangemerkt.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 november 2021 werd bevestigd. Appellante kreeg geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht werd niet teruggegeven.
Uitkomst: De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.