ECLI:NL:CRVB:2023:1179
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op 24-uurs zorg op grond van de Wet langdurige zorg vanwege nog aanwezige behandelmogelijkheden
Appellant, bekend met psychiatrische problematiek en chronische lichamelijke klachten, vroeg bij het CIZ zorg aan op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor 24-uurs zorg, mede gebaseerd op medische adviezen die stelden dat appellant nog niet uitbehandeld was en er nog mogelijkheden tot functionele verbetering waren.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, omdat de medische adviezen zorgvuldig en juist waren en de aangeleverde aanvullende informatie geen nieuwe inzichten gaf die een blijvende noodzaak tot 24-uurs zorg aannemelijk maakten. De rechtbank concludeerde ook dat de behandeling bij Fivoor beschikbaar was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd dat behandelmogelijkheden bestonden en dat geen enkele GGZ-instelling hem adequaat kon behandelen vanwege de combinatie van aandoeningen. Ook stelde hij dat zijn lichamelijke klachten een blijvende noodzaak tot 24-uurs zorg rechtvaardigen.
De Raad oordeelde dat appellant grotendeels zijn eerdere argumenten herhaalde zonder nieuwe feiten aan te voeren die het oordeel van de rechtbank konden weerleggen. De Raad bevestigde dat er nog behandelmogelijkheden zijn die kunnen leiden tot verbetering en dat het hoger beroep daarom niet slaagt. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor 24-uurs zorg wordt bevestigd.