ECLI:NL:CRVB:2023:119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA bevestigd
Appellant, een reachtruckchauffeur, viel op 18 juli 2017 uit wegens psychische klachten. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering stelde het UWV op 16 juli 2019 de arbeidsongeschiktheid vast op 66,91% op basis van medische en arbeidskundige rapporten.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en leverde nieuwe medische informatie aan, waaronder rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige. Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Utrecht bevestigde dit oordeel in een uitspraak van 4 februari 2021.
In hoger beroep voerde appellant aan volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn en stelde dat de FML onvoldoende rekening hield met zijn verslechterde medische situatie. De Centrale Raad oordeelde dat verslechteringen na de beoordelingsdatum 16 juli 2019 niet in deze procedure kunnen worden meegenomen. De Raad vond dat het UWV voldoende rekening had gehouden met de klachten en dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht was vastgesteld.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is terecht vastgesteld op 66,91% en het hoger beroep wordt afgewezen.