ECLI:NL:CRVB:2023:1196

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 juni 2023
Publicatiedatum
28 juni 2023
Zaaknummer
21 / 4484 JW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
JeugdwetWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling procesbelang bij verstreken periode jeugdhulpvoorziening

Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht waarin een voorziening voor jeugdhulp werd toegekend voor de periode 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020. De voorziening bestond uit begeleiding door het sociaal netwerk, in de vorm van een persoonsgebonden budget voor 120 minuten per week, verstrekt door de stiefvader van appellant.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat de periode waarop het besluit betrekking had al was verstreken en appellant inmiddels ouder dan achttien jaar was. Ook was niet aannemelijk dat appellant schade had geleden, mede omdat geen extra hulp was ingekocht.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad overwoog dat procesbelang alleen aanwezig is als het resultaat van het beroep daadwerkelijk kan worden bereikt en betekenis heeft voor appellant. Een louter formeel belang volstaat niet. Omdat appellant geen toekomstige periode kan beïnvloeden en geen schade aannemelijk is, is het beroep ongegrond.

De Raad wees ook op eerdere jurisprudentie waarin is gesteld dat procesbelang kan blijven bestaan bij toekomstige aanvragen of schadevergoedingsverzoeken, maar dat is hier niet aan de orde. De Raad bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring en wees proceskosten af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang en de bevestiging van de aangevallen uitspraak.

Uitspraak

21.4484 JW

Datum uitspraak: 28 juni 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 november 2021, 21/362 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Namens het college heeft mr. A.C.M. Geerts een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2023. Namens appellant is verschenen zijn moeder [naam moeder] , bijgestaan door mr. Manspeaker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.E. Ossewaarde en B. van Dalen.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 31 december 2019, gehandhaafd bij besluit van 6 januari 2021 (bestreden besluit) heeft het college aan appellant voor de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 een voorziening voor jeugdhulp op grond van de Jeugdwet, bestaande uit begeleiding door het sociaal netwerk voor 120 minuten per week, verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget. De jeugdhulp is verlengd tot [datum] , de datum waarop appellant 18 jaar wordt. De hulp is verstrekt voor de begeleiding door de stiefvader van appellant.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft overwogen dat op basis van de beschikbare gegevens niet kan worden vastgesteld dat appellant in het te beoordelen tijdvak voor de begeleiding meer dan 120 minuten per week zorg heeft ingekocht bij de stiefvader. Een procesbelang is ook niet gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijk oordeel kan worden betrokken bij een toekomstige aanvraag voor vergelijkbare zorg, nu het Drechtstedenbestuur met een besluit van 9 februari 2021 aan appellant voor de periode van 21 januari 2021 tot en met 20 januari 2022 een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 heeft toegekend en appellant niet daartegen is opgekomen. Verder is op voorhand niet aannemelijk dat schade is geleden als gevolg van bestuurlijke besluitvorming.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887) is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden.
4.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen sprake is van procesbelang. De beoordeling betreft een periode die al is verstreken en een inhoudelijk oordeel kan niet van belang zijn voor een toekomstige periode, nu appellant inmiddels ouder dan achttien jaar is. Verder acht de Raad het op voorhand onaannemelijk dat appellant schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit. Daarvoor is van belang dat, zoals ter zitting namens appellant is bevestigd, appellant geen extra hulp heeft ingekocht bij zijn stiefvader. Er is dus niet gebleken dat er voor appellant een betalingsverplichting is ontstaan vanwege geleverde zorg.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en H.J. de Mooij en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2023.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt