ECLI:NL:CRVB:2023:1197
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden in sociale zekerheidszaak
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Het beroepschrift bevatte echter geen gronden, hetgeen volgens artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereist is. De gemachtigde van appellant is tweemaal schriftelijk in de gelegenheid gesteld om deze tekortkoming binnen een gestelde termijn te herstellen, maar heeft deze termijnen ongebruikt laten verstrijken.
De Centrale Raad van Beroep heeft vastgesteld dat er geen verontschuldigingen zijn voor het verzuim en heeft daarom het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep en op 28 juni 2023 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze beslissing staat belanghebbenden en het bestuursorgaan de mogelijkheid open om binnen zes weken schriftelijk verzet in te dienen bij de Centrale Raad van Beroep, waarbij zij tevens kunnen verzoeken om te worden gehoord.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet herstellen daarvan binnen gestelde termijnen.