ECLI:NL:CRVB:2023:1208
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 49,09% in WIA-procedure
Appellant, laatstelijk werkzaam als assistent beheerder, meldde zich ziek in november 2015 en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid van 25,70% vast, later verhoogd naar 45,77% en vervolgens tot 49,09%. Appellant maakte bezwaar tegen deze laatste vaststelling en voerde aan dat zijn beperkingen, met name psychische klachten en schouderklachten, onvoldoende waren meegenomen.
De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd en de door appellant overgelegde medische informatie onvoldoende aanleiding gaf tot twijfel. In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en leverde aanvullende medische stukken aan, waaronder een rapport van een orthopedisch chirurg uit 2022.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de aanvullende medische informatie niet leidde tot een andere beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding (13 mei 2020). De Raad onderschreef de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de beperkingen van de linkerarm reeds waren meegenomen en dat de schouderklachten na de datum in geding zijn toegenomen. Ook achtte de Raad de geselecteerde functies medisch passend.
Daarmee werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 49,09% arbeidsongeschiktheid en verklaart het hoger beroep ongegrond.