ECLI:NL:CRVB:2023:1221
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde voortzetting WIA-uitkering ondanks betwisting arbeidsongeschiktheid
Appellante was bedrijfsleidster en meldde zich ziek met rug-, been-, voet- en psychische klachten. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 76,58%. Na een melding van toegenomen klachten werd de arbeidsongeschiktheid door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vastgesteld op 69,28%, waarna het UWV besloot de uitkering ongewijzigd voort te zetten.
Appellante maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit en stelde dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat haar depressieve klachten en beperkingen onderschat werden. Zij overlegde rapporten van bedrijfsartsen en verzekeringsartsen die haar standpunt ondersteunden. Het UWV voerde aan dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen correct waren vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de vastgestelde belastbaarheid overtuigend was gemotiveerd. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel en concludeerde dat de primaire verzekeringsarts een zorgvuldig onderzoek had verricht, dat de GAF-score niet doorslaggevend was en dat de psychische klachten niet leidden tot een hogere mate van beperkingen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV tot ongewijzigde voortzetting van de WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 69,28%.