ECLI:NL:CRVB:2023:1236
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verrekening onverschuldigde kinderbijslag met toekomstige betalingen toegestaan ondanks beroep op vertrouwensbeginsel
Appellante ontving in 2018 ten onrechte een bedrag van € 2.040,19 aan kinderbijslag. De Sociale verzekeringsbank (Svb) besloot dit bedrag terug te vorderen door het te verrekenen met toekomstige kinderbijslag in acht kwartalen. Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze verrekening, stellende dat de kinderbijslag ten onrechte werd betrokken bij de berekening van haar aflossingscapaciteit en dat zij mocht vertrouwen op een door de Svb verstrekte lijst waarin kinderbijslag niet als inkomen werd genoemd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de verrekening wettelijk is toegestaan en niet in strijd is met de regels omtrent de beslagvrije voet. De rechtbank vond ook dat appellante onvoldoende had onderbouwd dat zij door de verrekening niet in de intensieve zorg voor haar kind kon voorzien. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd eveneens verworpen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze uitspraak volledig. De Raad stelt vast dat de Svb op grond van de Algemene Kinderbijslagwet bevoegd is om onverschuldigde kinderbijslag te verrekenen met toekomstige kinderbijslagbetalingen. De beslagvrije voet speelt hierbij geen belemmerende rol omdat een uitzondering is gemaakt voor terugvordering van onverschuldigde kinderbijslag. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de rechtbank dit grondig en overtuigend heeft gemotiveerd.
Het hoger beroep wordt verworpen, de verrekening blijft in stand en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Svb terecht onverschuldigde kinderbijslag mag verrekenen met toekomstige kinderbijslagbetalingen en wijst het hoger beroep af.