ECLI:NL:CRVB:2023:124
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- L.M. Tobé
- A.T. Marseille
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens arbeidsongeschiktheid en finale kwijting aanvullende uitkering CAR/UWO
Appellante was werkzaam bij de gemeente Smallingerland en meldde zich ziek in januari 2016. Na toekenning van een IVA-uitkering in januari 2019, sloten partijen in november 2019 een vaststellingsovereenkomst waarbij het dienstverband werd beëindigd en een vergoeding werd toegekend. Appellante verzocht later om een aanvullende uitkering op grond van artikel 7:5 van Pro de CAR/UWO, welke door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat de aanspraak onder het finale kwijtingsbeding viel.
In hoger beroep stelde appellante dat de aanspraak niet onder het kwijtingsbeding viel. De Raad oordeelde dat afspraken over beëindiging van het dienstverband als nadere regeling van de ontslagbevoegdheid gelden en dat partijen gebonden zijn aan het finale kwijtingsbeding. De uitleg van de overeenkomst moet worden bezien in de context en redelijke verwachtingen van partijen. Gezien de tekst en de e-mailcorrespondentie was het voor appellante duidelijk dat zij met de vaststellingsovereenkomst afstand deed van verdere aanspraken en procedures omtrent de aanvullende uitkering.
De Raad concludeerde dat de aanspraak op de aanvullende uitkering voortvloeit uit het dienstverband en de beëindiging daarvan, en dus onder het finale kwijtingsbeding valt. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de aanspraak op aanvullende uitkering onder het finale kwijtingsbeding valt en wijst het hoger beroep af.