ECLI:NL:CRVB:2023:1260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende gemotiveerde intrekking en terugvordering van bijstand wegens vermogenstoename door auto
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en kreeg deze ingetrokken over de periode 30 april 2018 tot en met 31 december 2018 vanwege het bezit van een auto die op haar naam stond, waardoor het vrij te laten vermogen werd overschreden. Het college legde ook een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de auto niet tot haar vermogen behoorde. Appellante stelde dat de auto van haar overleden vader was en dat het college haar schulden niet had meegewogen.
De Raad concludeert dat de auto in de te beoordelen periode tot het vermogen van appellante moet worden gerekend en dat de intrekking van de bijstand terecht was. Echter, het college heeft nagelaten te onderzoeken of vanaf de 31ste dag van de onderbreking hernieuwde bijstand met een nieuwe vermogensvaststelling mogelijk was, waardoor het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd.
De Raad draagt het college op het motiveringsgebrek binnen zes weken te herstellen en wijst erop dat appellante moet meewerken aan het onderzoek naar haar vermogenssituatie. Over de terugvordering en boete zal de Raad zich later uitspreken.
Uitkomst: Het college wordt opgedragen het motiveringsgebrek in het besluit tot intrekking van de bijstand te herstellen.