ECLI:NL:CRVB:2023:1261

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juli 2023
Publicatiedatum
4 juli 2023
Zaaknummer
21 / 3871 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens niet-handhaven verweer

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake een bezwaarprocedure tegen een bestuursbesluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Het college heeft bij e-mail laten weten zijn verweer niet langer te handhaven en is bereid de proceskosten te vergoeden. Hierop heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en verzocht om het college te veroordelen in de proceskosten.

De Centrale Raad van Beroep heeft het onderzoek achterwege gelaten en geoordeeld dat het college op grond van de Algemene wet bestuursrecht (artikelen 8:75a en 8:108) veroordeeld kan worden in de proceskosten. De kosten zijn begroot conform het Besluit proceskosten bestuursrecht op in totaal € 2.511,-. De Raad veroordeelt het college tot betaling van dit bedrag aan appellant.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot betaling van € 2.511,- aan proceskosten aan appellant.

Uitspraak

Datum uitspraak: 4 juli 2023
21/3871 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
21 september 2021, 20/6913
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J.J. Hendrikse, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij bericht van 18 oktober 2022 heeft het college laten weten zijn verweer niet langer te handhaven en heeft hij aangegeven bereid te zijn de proceskosten te vergoeden.
Bij brief van 29 november 2022 heeft mr. Hendrikse namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten in beroep en hoger beroep.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat mr. Hendrikse het hoger beroep heeft ingetrokken naar aanleiding van de e-mail van het college van 18 oktober 2022, waarin het college heeft besloten zijn verweer in verband met het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 19 november 2022 niet langer te handhaven. Het college heeft laten weten dat hij akkoord gaat met een vergoeding van de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Het college wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.674,- in beroep en € 837,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.511,- .
Deze uitspraak is gedaan door J.J. Janssen, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2023.
(getekend) J.J. Janssen
(getekend) A. Giesen