ECLI:NL:CRVB:2023:1282
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens niet tijdig melden inkomsten tijdens WIA-uitkering
Appellant ontvangt sinds 20 augustus 2018 een WIA-uitkering. Het UWV stelde vast dat appellant tussen 1 oktober 2019 en 15 maart 2020 inkomsten uit arbeid had die niet waren gemeld. Op 12 mei 2020 legde het UWV een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht en vorderde onverschuldigde uitkering terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant deels gegrond, stelde de boete lager vast en oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij in oktober 2019 telefonisch melding had gemaakt, maar kon dit niet onderbouwen met bewijs.
De Raad overwoog dat het UWV alle contactmomenten registreert en dat geen contact was geregistreerd behalve op 16 maart 2020. De boete werd als evenredig beoordeeld, mede omdat appellant duidelijk had moeten zijn dat melding verplicht was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De boete wegens het niet tijdig melden van inkomsten tijdens de WIA-uitkering wordt bevestigd.