ECLI:NL:CRVB:2023:1283
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toename beperkingen voor recht op WIA-uitkering binnen vijf jaar
Appellante was sinds 2006 arbeidsongeschikt en ontving vanaf 2012 een WIA-uitkering die in 2014 werd beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. In 2020 meldde zij zich met vermeende toegenomen klachten vanaf 24 december 2015, waarop het UWV een aanvraag voor herleving van de WIA-uitkering weigerde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 30 mei 2014.
In hoger beroep voerde appellante aan dat er wel degelijk sprake was van toegenomen beperkingen, onder meer door gewijzigde rugklachten en zwaardere medicatie. De Raad concludeerde echter dat de medische rapporten dit niet ondersteunen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde dat de rugflexie normaal was en dat het medicatiegebruik van oxycodon niet binnen de relevante periode was begonnen. Ook de psychische klachten waren reeds in 2014 meegewogen.
De Raad vond geen reden om aan de medische beoordeling te twijfelen en bevestigde dat er geen toename van beperkingen was die recht op herleving van de WIA-uitkering zou geven. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op WIA-uitkering wordt niet herleefd wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.