ECLI:NL:CRVB:2023:1288
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant werkte als verkoper en meldde zich ziek met diverse klachten, waaronder hartklachten en vermoeidheid. Na een Ziektewet-uitkering werd zijn arbeidsongeschiktheid opnieuw beoordeeld. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de WIA-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat de medische situatie was verbeterd en beperkingen terecht waren aangepast. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen en klachten, zoals vermoeidheid door OSAS en bijwerkingen van medicatie, onvoldoende waren meegewogen.
De Raad oordeelde dat de klachten niet volledig medisch onderbouwd waren en dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd medisch geschikt waren. De eerdere beoordeling werd bevestigd, en het hoger beroep werd verworpen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en de WIA-uitkering terecht is beëindigd.