ECLI:NL:CRVB:2023:1312
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand na brand in huurwoning
In maart 2021 vond een brand plaats in de huurwoning van appellante, waarbij haar inboedel verloren ging of onbruikbaar werd. Appellante diende in april 2021 vier afzonderlijke aanvragen in voor bijzondere bijstand voor beddengoed, potten en pannen, overige goederen en kleding. Het college kende alleen bijzondere bijstand toe voor kleding tot €398,- en wees de overige aanvragen af.
Tijdens de bezwaarprocedure vroeg het college informatie over de inboedelverzekering en de vergoeding van de verzekeraar, maar appellante verstrekte deze niet. Het college verklaarde de bezwaren ongegrond omdat zonder deze informatie het recht op bijzondere bijstand niet vastgesteld kon worden. Appellante stelde beroep in, maar tijdens de rechtbankzitting bleek dat zij inmiddels een vergoeding van €28.000,- van haar verzekeraar zou ontvangen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het college onzorgvuldig was door niet bij haar langs te gaan om de behoefte aan bijzondere bijstand vast te stellen. De Raad oordeelde dat dit niet onzorgvuldig was, omdat het aan appellante was om de gevraagde informatie te verstrekken. Het college had zowel telefonisch als schriftelijk informatie gevraagd en de Participatiewet sluit vergoeding van schadekosten uit als noodzakelijke kosten van het bestaan.
Het hoger beroep werd verworpen en de afwijzing van de bijzondere bijstand bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvragen om bijzondere bijstand wordt bevestigd omdat appellante onvoldoende informatie verstrekte en het college niet onzorgvuldig handelde.