Appellant stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV, waarna het UWV op 3 november 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar nam. Naar aanleiding daarvan trok appellant het hoger beroep op 7 november 2022 in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van schade.
De Raad oordeelde dat het UWV op grond van artikel 8:75a Awb in de proceskosten kan worden veroordeeld wanneer het bestuursorgaan tegemoet is gekomen aan de bezwaren. De rechtbank had het UWV reeds veroordeeld tot vergoeding van de kosten in beroep, zodat de Raad zich beperkte tot de kosten in bezwaar en hoger beroep.
De proceskosten werden begroot op € 2.031,- voor rechtsbijstand en € 47,88 aan reiskosten. Daarnaast werd een vergoeding van € 1.438,11 toegekend voor de deskundigenkosten van een verzekeringsarts, waarbij het door het UWV betwiste uurtarief werd gecorrigeerd naar het wettelijk maximale tarief.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de totale procedure 2 jaar en 10 maanden duurde, binnen de toegestane termijn van vier jaar voor een procedure in drie instanties.
De Centrale Raad van Beroep veroordeelde het UWV tot betaling van € 3.516,99 aan proceskosten aan appellant.