ECLI:NL:CRVB:2023:1337
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, werkzaam als begeleider bij een zorggroep, viel in 2013 uit wegens hoofdpijn- en psychische klachten en kreeg een WIA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na herbeoordelingen werd in 2020 vastgesteld dat zijn arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 35%, waarna het UWV besloot de uitkering te beëindigen.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarbij een verzekeringsarts bezwaar en beroep een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opstelde met beperkingen, onder meer vanwege clusterhoofdpijn en psychische klachten. De arbeidsdeskundige stelde dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling juist was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de beperkingen en urenbeperking onvoldoende waren vastgesteld en dat de ernst van zijn klachten onderschat werd. Hij overhandigde een rapport van een medisch adviseur ter onderbouwing. De Centrale Raad van Beroep volgde echter de rechtbank en het UWV, oordeelde dat de FML juist was en dat er geen aanleiding was voor een verdere urenbeperking. Ook het verzuimrisico werd als niet hoger dan 25% beoordeeld.
De Raad bevestigde de beëindiging van de WIA-uitkering en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door T. Dompeling op 12 juli 2023.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.