ECLI:NL:CRVB:2023:136
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij beëindiging Bbz-voorbereidingsperiode
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en kreeg een voorbereidingsperiode voor een startende ondernemer toegekend van 4 juli tot 14 september 2018. Na een verkenningsfase adviseerde het IMK om appellant niet toe te laten tot de aanloopfase vanwege onvoldoende aanknopingspunten voor een levensvatbaar bedrijf. Het college beëindigde daarop de voorbereidingsperiode.
Appellant voerde aan dat de voortijdige beëindiging onrechtmatig was en dat hij daardoor materiële en immateriële schade had geleden, mede door het intrekken van de bijstand tijdens het traject. Hij stelde dat zijn potentie om een levensvatbaar bedrijf te starten daardoor was gesmoord.
De Raad overwoog dat het procesbelang ontbreekt omdat appellant na de beëindiging geen nieuwe voorbereidingsperiode of bijstand heeft aangevraagd en geen nadeel heeft gesteld door het ontbreken van vrijstelling van re-integratieverplichtingen. Ook was niet gebleken dat appellant nog voornemens was een bedrijf te starten. De stelling van schade was onvoldoende onderbouwd.
Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.