ECLI:NL:CRVB:2023:1370

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juli 2023
Publicatiedatum
18 juli 2023
Zaaknummer
20/2413 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:64 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV, maar trok dit beroep in nadat het UWV op 28 februari 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar had genomen waarin volledig aan haar bezwaren was tegemoetgekomen.

De Centrale Raad van Beroep beoordeelde vervolgens het verzoek van appellante om het UWV te veroordelen in de proceskosten die zij redelijkerwijs had moeten maken in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep.

De Raad stelde vast dat het UWV de kosten in bezwaar reeds had vergoed, zodat alleen de kosten in beroep en hoger beroep nog in aanmerking kwamen voor vergoeding. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht werden de kosten begroot op in totaal € 3.766,50 voor rechtsbijstand en € 75,44 aan reiskosten.

De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van een totaalbedrag van € 3.841,94 aan appellante. De uitspraak werd gedaan door S.B. Smit-Colenbrander op 17 juli 2023.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 3.841,94 aan proceskosten aan appellante.

Uitspraak

Datum uitspraak: 17 juli 2023
20/2413 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
29 mei 2020, 19/3448 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Krol-Postma, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2021. Appellante is verschenen en bijgestaan door mr. Knol-Postma. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.
De Raad heeft het onderzoek heropend en het Uwv verzocht om nader onderzoek te doen.
Het Uwv heeft op 28 februari 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 4 mei 2023 heeft mr. Krol-Postma namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. [1]
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 28 februari 2023 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Aangezien het Uwv de gemaakte kosten in bezwaar heeft vergoed, moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.674,-
in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 2.092,50 in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift,
1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienwijze) voor verleende rechtsbijstand. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 3.766,50.
De reiskosten die appellante heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank en bij de Raad, komen tot een bedrag van € 75,44 voor vergoeding in aanmerking.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.841,94.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2023.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) H. Alajai

Voetnoten

1.I. 56