ECLI:NL:CRVB:2023:139
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens niet-gemelde werkzaamheden in restaurant
Appellante ontving bijstand sinds 2014 en werd onderzocht nadat bleek dat zij werkzaamheden verrichtte in het restaurant van haar ex-partner. Sociaal rechercheurs constateerden dat zij diverse werkzaamheden uitvoerde, zoals bedienen en schoonmaken, zonder dit te melden aan het college. Het college beëindigde daarop de bijstand met ingang van 15 januari 2020 vanwege schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de werkzaamheden op geld waardeerbaar waren, ongeacht de intentie of het ontvangen van inkomsten. Appellante stelde in hoger beroep dat zij slechts incidenteel aanwezig was en geen vaste werkzaamheden verrichtte, maar de Raad volgde de rechtbank en vond de verklaringen en waarnemingen overtuigend.
De Raad bevestigde dat de niet-gemelde werkzaamheden de beëindiging van de bijstand rechtvaardigen en dat de terugvordering niet in deze procedure aan de orde is. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De beëindiging van de bijstand per 15 januari 2020 wordt bevestigd wegens het verrichten van niet-gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden.