ECLI:NL:CRVB:2023:1404
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was productiemedewerkster en meldde zich in januari 2016 ziek met psychische klachten. Het UWV kende haar vanaf januari 2018 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling in 2019 stelde een arts beperkingen vast en een arbeidsdeskundige berekende een arbeidsongeschiktheid van 8,85%. Het UWV beëindigde daarom de WIA-uitkering per 27 november 2019.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar beperkingen onvoldoende waren meegewogen, onderbouwd met een adviesbrief en een brief van een orthopedisch chirurg. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep vond geen aanleiding het besluit te wijzigen. De medische informatie van de orthopedisch chirurg was reeds bekend en verwerkt in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige had de belastbaarheid van de geselecteerde functies adequaat gemotiveerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WIA-uitkering van appellante heeft beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.